Woorden op deze plaat
- de zon
- de zee
- het zand
- de emmer
- de schep
- het ijsje
- de krab
- de schelp
- de boot
- de meeuw
- de strandbal
- het zandkasteel
- de parasol
- de zonnebril
- de zonnebrandcrème
- smelten
Vragen per niveau
- 1Aanwijzen · Het kind wijst aan. Zeggen hoeft nog niet.Waar is de krab?
- 2Benoemen · Het kind zegt het woord.Wat is dit? (een zandkasteel)
- 3Wie doet wat · Werkwoorden, de stap naar zinnen.Wat doet de moeder? (zij smeert de jongen in met zonnebrandcrème)
- 4Welke en hoeveel · Kleuren, tellen, vergelijken.Hoeveel schelpen zie je? Welke kleur heeft de emmer?
- 5Wat gebeurt er straks · Vooruit denken.Het ijsje van het meisje druppelt. Wat gebeurt er straks?
- 6Waarom · Verbanden leggen die niet op de plaat staan.Waarom smeert de moeder de jongen in?
Zo introduceer je het thema zomer
Zet een emmer met zand, een schep, een paar schelpen en een zonnebril op tafel voordat je de plaat laat zien. Laat de kinderen voelen hoe het zand door hun vingers loopt en hoe een schelp aanvoelt. Daarna herkennen ze dezelfde dingen op de plaat veel sneller.
Kies voor de eerste week vijf kernwoorden, bijvoorbeeld zon, zee, zand, emmer en ijsje. Niet elk kind is al eens aan zee geweest. Vraag daarom eerst wie het strand kent, en laat een foto of een kort filmpje van de zee zien aan kinderen die het nog niet kennen.
Vijf spelletjes met de strandplaat
Deze spelletjes werken in de kring, in een klein groepje en thuis aan tafel. Kies er één per keer.
- 1Zoek het op de plaatHaal een echt ding uit de strandtas: een schelp, een schep, een zonnebril. Het kind zoekt hetzelfde op de plaat en wijst het aan. Dit lukt ook als een kind nog niets zegt.
- 2Tellen op het strandTel samen de schelpen, de meeuwen en de kinderen. Er zijn er telkens drie. Leg bij elke telling een echte schelp of een blokje neer, zodat het kind ziet dat drie steeds drie is.
- 3Doe het naSmeer elkaar in met denkbeeldige crème, lik aan een denkbeeldig ijsje, graaf met een schep, loop als een krab. Werkwoorden als smeren, likken, graven en bouwen onthoud je beter als je ze doet.
- 4Wat gebeurt er straks?Wijs de golf aan die bijna bij het zandkasteel is. Wat gebeurt er met het kasteel? En wat doet het meisje dan? Er is geen fout antwoord, elk idee mag.
- 5Rollenspel: naar het strandPak samen een strandtas in met echte spullen of plaatjes: handdoek, emmer, schep, zonnehoed, zonnebrandcrème. Laat het kind vertellen wat het meeneemt en waarom.
Meer zomerwoorden voor je themaweek
Deze woorden passen bij de zomer, maar staan niet op de plaat. Laat ze zien met echte dingen, foto’s of een prentenboek, of maak er een tweede week van.
- Water: zwembad, golf, pootjebaden, zwemmen, zwembandjes, nat, druppelen.
- Buiten: picknick, tent, vlieger, waterpistool, gras, schaduw.
- Het weer: warm, heet, zweten, dorst, onweer.
- Dieren: zeehond, vis, kwal, schelpdier, mug, wesp.
Voor peuters, kleuters, NT2 en kinderen met autisme
Peuters blijven bij aanwijzen en benoemen: de zon, de bal, het ijsje, de krab. Een paar minuten is genoeg. Kleuters kunnen vertellen wie wat doet en bedenken wat er straks met het ijsje en het zandkasteel gebeurt. Bij NT2 begin je met woorden die kinderen deze zomer echt nodig hebben, zoals zon, warm, drinken en zonnebrandcrème. Ouders kunnen thuis in hun eigen taal over dezelfde plaat praten.
Voor een kind met autisme of LVB kan de plaat te druk zijn. Dek alles af behalve het zandkasteel met de emmer, en schuif het papier pas op als dat deel lukt. Sommige kinderen vinden zand, zonnebrandcrème of drukte op het strand echt niet prettig. Benoem dat gewoon: “Niet iedereen vindt crème fijn.” Dat maakt de plaat ook een begin voor een gesprek over voelen.
Alle praatplaten en de vijf treden van aanwijzen tot vertellen