Wat is taalontwikkeling?
Taalontwikkeling is het leren begrijpen en gebruiken van woorden en zinnen. Het begint lang voor het eerste woord. Een baby kijkt je aan, lacht terug, brabbelt en wijst. Dat is allemaal al communicatie.
Vaak wordt gesproken over spraak- en taalontwikkeling. Dat zijn twee verschillende dingen. Taal gaat over wat een kind begrijpt en wat het wil zeggen: woorden, zinnen, vragen stellen, vertellen. Spraak gaat over het maken van de klanken: hoe goed een kind te verstaan is.
Bij taal maken we nog een onderscheid. Taalbegrip is wat je kind begrijpt van wat anderen zeggen. Taalproductie is wat je kind zelf zegt. Die twee lopen niet gelijk op. Een peuter begrijpt bijna altijd veel meer dan hij of zij kan zeggen.
Normale taalontwikkeling: schema per leeftijd
Dit schema laat zien wat veel kinderen ongeveer kunnen op 12 maanden, 18 maanden, 2 jaar, 3 jaar en 4 jaar. De leeftijden zijn een gemiddelde. Een paar maanden eerder of later is heel gewoon. Kijk vooral of je kind steeds nieuwe stapjes zet.
- 12 mndBrabbelt, wijst en zwaait. Soms een eerste woordje.
- 18 mndEen paar woorden, vaak 5 tot 20.
- 2 jaarZo’n 50 woorden. Eerste zinnetjes van twee woorden.
- 3 jaarZinnen van drie woorden of meer.
- 4 jaarVertelt wat er gebeurd is, met langere zinnen.
Ongeveer 12 maanden
- Begrijpen
- Reageert op de eigen naam. Begrijpt een paar bekende woorden en korte opdrachtjes met een gebaar erbij, zoals “zwaai maar dag”.
- Zelf zeggen
- Brabbelt in klankreeksen zoals “baba” en “dada”. Wijst en gebaart. Soms een eerste woordje.
- Even opletten als...
- Je kind niet reageert op geluid of op de eigen naam, niet brabbelt of niet wijst en gebaart.
Ongeveer 18 maanden
- Begrijpen
- Wijst bekende dingen of lichaamsdelen aan als je ze noemt. Voert eenvoudige opdrachten uit, zoals “pak je schoenen”.
- Zelf zeggen
- Zegt een aantal woorden, vaak tussen de 5 en 20. Gebruikt woorden om iets te vragen of te laten zien.
- Even opletten als...
- Je kind nog geen enkel woord zegt, niet wijst om iets te laten zien of eenvoudige opdrachten niet begrijpt.
Ongeveer 2 jaar
- Begrijpen
- Begrijpt korte zinnen zonder gebaar. Wijst plaatjes aan in een boekje. Begrijpt eenvoudige vragen als “waar is de bal?”.
- Zelf zeggen
- Zegt ongeveer 50 woorden of meer. Begint woorden te combineren, zoals “papa weg” of “meer koek”.
- Even opletten als...
- Je kind nauwelijks woorden zegt, er geen nieuwe woorden bij komen of het rond 2,5 jaar nog geen twee woorden combineert.
Ongeveer 3 jaar
- Begrijpen
- Begrijpt vragen met wie, wat en waar. Voert opdrachten met twee stappen uit, zoals “pak je jas en ga bij de deur staan”.
- Zelf zeggen
- Praat in zinnen van drie woorden of meer. Gebruikt “ik” en “jij”. Mensen die het kind goed kennen verstaan het meeste.
- Even opletten als...
- Je kind nog vooral losse woorden gebruikt, zelfs jij het meestal niet verstaat of het eenvoudige vragen niet begrijpt.
Ongeveer 4 jaar
- Begrijpen
- Begrijpt langere opdrachten en waarom-vragen. Kan een kort verhaaltje volgen.
- Zelf zeggen
- Vertelt over wat er gebeurd is, met langere zinnen en woorden als “en”, “want” en “toen”. Is meestal ook voor onbekenden goed te verstaan.
- Even opletten als...
- Onbekenden je kind meestal niet verstaan, de zinnen kort en onvolledig blijven of je kind niet kan vertellen wat het heeft meegemaakt.
| Leeftijd | Begrijpen | Zelf zeggen | Even opletten als... |
|---|---|---|---|
| Ongeveer 12 maanden | Reageert op de eigen naam. Begrijpt een paar bekende woorden en korte opdrachtjes met een gebaar erbij, zoals “zwaai maar dag”. | Brabbelt in klankreeksen zoals “baba” en “dada”. Wijst en gebaart. Soms een eerste woordje. | Je kind niet reageert op geluid of op de eigen naam, niet brabbelt of niet wijst en gebaart. |
| Ongeveer 18 maanden | Wijst bekende dingen of lichaamsdelen aan als je ze noemt. Voert eenvoudige opdrachten uit, zoals “pak je schoenen”. | Zegt een aantal woorden, vaak tussen de 5 en 20. Gebruikt woorden om iets te vragen of te laten zien. | Je kind nog geen enkel woord zegt, niet wijst om iets te laten zien of eenvoudige opdrachten niet begrijpt. |
| Ongeveer 2 jaar | Begrijpt korte zinnen zonder gebaar. Wijst plaatjes aan in een boekje. Begrijpt eenvoudige vragen als “waar is de bal?”. | Zegt ongeveer 50 woorden of meer. Begint woorden te combineren, zoals “papa weg” of “meer koek”. | Je kind nauwelijks woorden zegt, er geen nieuwe woorden bij komen of het rond 2,5 jaar nog geen twee woorden combineert. |
| Ongeveer 3 jaar | Begrijpt vragen met wie, wat en waar. Voert opdrachten met twee stappen uit, zoals “pak je jas en ga bij de deur staan”. | Praat in zinnen van drie woorden of meer. Gebruikt “ik” en “jij”. Mensen die het kind goed kennen verstaan het meeste. | Je kind nog vooral losse woorden gebruikt, zelfs jij het meestal niet verstaat of het eenvoudige vragen niet begrijpt. |
| Ongeveer 4 jaar | Begrijpt langere opdrachten en waarom-vragen. Kan een kort verhaaltje volgen. | Vertelt over wat er gebeurd is, met langere zinnen en woorden als “en”, “want” en “toen”. Is meestal ook voor onbekenden goed te verstaan. | Onbekenden je kind meestal niet verstaan, de zinnen kort en onvolledig blijven of je kind niet kan vertellen wat het heeft meegemaakt. |
Begrijpen gaat meestal voor spreken
Voordat een kind “appel” zegt, heeft het dat woord al heel vaak gehoord, gezien en gegeten. Het weet al lang wat je bedoelt als je vraagt: “Wil je een stukje appel?” Pas later komt het woord zelf.
Daarom zegt het aantal woorden niet alles. Een kind van 18 maanden met weinig woorden dat wel goed begrijpt, wijst en gebaart, doet het vaak goed. Een kind dat veel woorden zegt maar weinig begrijpt of de woorden niet gebruikt om contact te maken, verdient juist meer aandacht.
Je kunt taalbegrip thuis makkelijk bekijken. Vraag zonder te wijzen: “Waar is je beker?” of “Geef de lepel maar aan papa.” Lukt dat, dan begrijpt je kind de woorden zelf en niet alleen je gebaar.

Meertalig opvoeden: geen oorzaak van een taalachterstand
Groeit je kind op met twee of meer talen, bijvoorbeeld Nederlands en Turks, Arabisch, Pools of Frans? Dan is dat geen oorzaak van een taalachterstand. Meertalige kinderen halen de belangrijke stappen ongeveer op dezelfde leeftijd als eentalige kinderen.
Wel kan de woordenschat per taal kleiner zijn. Tel je de woorden in alle talen samen, dan komt een meertalig kind meestal op hetzelfde aantal uit. Talen door elkaar gebruiken, zoals een Nederlands woord in een Arabische zin, is heel gewoon.
Praat met je kind in de taal die jij het best spreekt. Zo hoort je kind rijke, natuurlijke taal. Loopt je kind in alle talen achter, dan is dat wel een reden om aan de bel te trekken. Vertel de logopedist of jeugdarts dan welke talen je kind hoort.
Taalontwikkeling bij autisme: soms anders
Bij kinderen met autisme verloopt de taalontwikkeling vaak anders. Het verschil zit dan niet alleen in het aantal woorden, maar vooral in hoe een kind taal gebruikt om contact te maken.
Niet elk kind dat laat gaat praten heeft autisme. Veel late praters halen het gewoon in. Zie je wel een aantal van de signalen hieronder, bespreek dat dan met het consultatiebureau of de huisarts.
- Echolalie: je kind herhaalt woorden of zinnen die het net hoorde, of zinnen uit een filmpje van dagen geleden. Ook dat kan een manier zijn om iets te vertellen. Een logopedist kan helpen ontdekken wat je kind ermee bedoelt.
- Weinig wijzen om iets te laten zien. Een kind wijst misschien wel naar een koekje dat het wil, maar niet naar een vliegtuig om jou mee te laten kijken.
- Minder gezamenlijke aandacht: je kind kijkt niet heen en weer tussen jou en iets interessants.
- Weinig reageren op de eigen naam, terwijl het gehoor in orde is.
- Woorden die er al waren verdwijnen weer. Bij een deel van de kinderen met autisme gebeurt dat in het tweede levensjaar.
Zo stimuleer je de taalontwikkeling van je peuter
Je hoeft geen lessen te geven. De meeste taal leert je kind gewoon tussen de bedrijven door: bij het aankleden, aan tafel, in bad of in de supermarkt.
- 1Zeg wat je doetVertel in korte zinnen wat je samen doet. “Sokken aan. Eerst deze voet. Nu de andere voet.” Zo hoort je kind steeds woorden bij wat het ziet.
- 2Volg je kindPraat over waar je kind naar kijkt of mee speelt. Speelt het met een auto, praat dan over de auto en niet over de puzzel die jij had klaargelegd.
- 3Wacht evenStel een vraag of begin een liedje en stop dan. Tel in je hoofd tot vijf. Kinderen hebben vaak meer tijd nodig dan wij denken om te reageren.
- 4Herhaal en maak het iets langerZegt je kind “auto”, zeg dan “ja, een rode auto”. Verbeter niet, maar zeg het goed voor. Zegt je kind “koek op”, zeg dan “de koek is op”.
- 5Laat kiezenHoud twee dingen omhoog en vraag: “Wil je appel of banaan?” Je kind hoeft dan alleen één woord te zeggen of aan te wijzen.
- 6Lees samen en zingBekijk elke dag samen een boekje. Wijs plaatjes aan en laat je kind aanvullen. Versjes en liedjes met gebaren zijn ook heel geschikt.
- 7Zet de tv uit als je samen bentEen tv of tablet op de achtergrond zorgt voor minder gesprekjes tussen jou en je kind. Samen praten en spelen werkt het best.
Wanneer trek je aan de bel?
Je kent je kind het best. Heb je een onrustig gevoel over de taal van je kind, bespreek het dan altijd, ook als je kind nog niet achterloopt volgens het schema. Een gesprek geeft vaak al rust.
In Nederland ga je naar het consultatiebureau (de jeugdgezondheidszorg, JGZ) of de huisarts. Je kunt ook zelf contact opnemen met een logopedist. In Vlaanderen kun je terecht bij Kind en Gezin, de huisarts of de kinderarts.
- Rond 12 maanden: je kind brabbelt niet, reageert niet op geluid of de eigen naam en wijst of gebaart niet.
- Rond 18 maanden: je kind zegt nog geen enkel woord of begrijpt eenvoudige opdrachten niet.
- Rond 2 jaar: je kind zegt nauwelijks woorden of er komen geen nieuwe woorden bij.
- Rond 2,5 jaar: je kind maakt nog geen zinnetjes van twee woorden. Combineert je kind rond 2 jaar nog geen woorden en twijfel je, dan hoef je niet te wachten tot 2,5 jaar.
- Rond 3 jaar: zelfs jij verstaat je kind meestal niet, of het praat nog vooral in losse woorden.
- Rond 4 jaar: onbekenden verstaan je kind meestal niet.

