Wat is logopedie en wat doet een logopedist?
Logopedie komt van het Griekse logos (woord) en paideia (opvoeding). Letterlijk betekent het zoiets als “het woord leren”. In de praktijk gaat het om alles wat met communiceren en de mond te maken heeft.
Een logopedist is een paramedicus met een hbo-opleiding (in Vlaanderen een bachelor). Bij jonge kinderen begint de logopedist met onderzoek: luisteren, spelen, observeren en vragen aan jou. Daarna volgt een behandelplan met kleine, haalbare doelen. De behandeling zelf is meestal één keer per week een sessie van 30 tot 45 minuten, in de praktijk, op school of op het kinderdagcentrum.
Bij peuters en kleuters gaat het vaak om taal: weinig woorden, geen zinnen, moeite met begrijpen. Maar een logopedist helpt ook bij slecht te verstaan zijn, stotteren, een hese stem, mondademhaling, slikproblemen en eet- en drinkproblemen bij baby’s.
- SpraakKlanken goed maken, verstaanbaar zijn, vloeiend spreken (stotteren).
- TaalWoorden en zinnen begrijpen en zelf gebruiken.
- StemEen hese of schorre stem, stem overbelasten.
- Eten en slikkenKauwen, slikken, drinken en verslikken.
- GehoorLuisteren en klanken onderscheiden, ook na gehoorverlies.
- PreverbaalDrinken, eten en mondgedrag bij baby’s en dreumesen, voor de eerste woordjes.
Wanneer is logopedie nodig? Signalen per leeftijd
Kinderen verschillen flink in hoe snel ze leren praten. Een paar maanden later dan een ander kind is meestal geen probleem. Let vooral op of er steeds nieuwe stapjes bijkomen. De tabel hieronder laat zien wanneer het verstandig is om het te laten bekijken.
Bekijk het hele schema van de taalontwikkeling0 tot 1 jaar
- Laat het bekijken als je kind...
- Moeite heeft met drinken, zich vaak verslikt, heel lang over een voeding doet of niet brabbelt en niet reageert op geluid.
Rond 18 maanden
- Laat het bekijken als je kind...
- Nog geen enkel woord zegt, niet wijst om iets te laten zien of eenvoudige opdrachtjes niet begrijpt.
Rond 2 jaar
- Laat het bekijken als je kind...
- Nauwelijks woorden zegt of er geen nieuwe woorden bijkomen. Rond 2,5 jaar nog geen twee woorden combineert.
Rond 3 jaar
- Laat het bekijken als je kind...
- Vooral losse woorden gebruikt, of zelfs door jou meestal niet verstaan wordt.
Rond 4 jaar
- Laat het bekijken als je kind...
- Door onbekenden meestal niet verstaan wordt of niet kan vertellen wat er gebeurd is.
Op elke leeftijd
- Laat het bekijken als je kind...
- Woorden verliest die er al waren, lang en met spanning stottert, wekenlang hees is, steeds door de mond ademt of moeite heeft met kauwen en slikken.
| Leeftijd | Laat het bekijken als je kind... |
|---|---|
| 0 tot 1 jaar | Moeite heeft met drinken, zich vaak verslikt, heel lang over een voeding doet of niet brabbelt en niet reageert op geluid. |
| Rond 18 maanden | Nog geen enkel woord zegt, niet wijst om iets te laten zien of eenvoudige opdrachtjes niet begrijpt. |
| Rond 2 jaar | Nauwelijks woorden zegt of er geen nieuwe woorden bijkomen. Rond 2,5 jaar nog geen twee woorden combineert. |
| Rond 3 jaar | Vooral losse woorden gebruikt, of zelfs door jou meestal niet verstaan wordt. |
| Rond 4 jaar | Door onbekenden meestal niet verstaan wordt of niet kan vertellen wat er gebeurd is. |
| Op elke leeftijd | Woorden verliest die er al waren, lang en met spanning stottert, wekenlang hees is, steeds door de mond ademt of moeite heeft met kauwen en slikken. |
Kan je zomaar naar de logopedist?
In Nederland wel. Logopedie is direct toegankelijk: je kunt zonder verwijzing van de huisarts een afspraak maken. De logopedist doet dan eerst een korte screening om te kijken of logopedie bij de klacht past. Voor kinderen vergoedt de basisverzekering logopedie als er een medische reden voor is, en kinderen hebben geen eigen risico. Sommige zorgverzekeraars vragen toch een verwijzing, dus kijk even in je polis of bel je verzekeraar. Logopedie omdat je kind een andere moedertaal heeft of dialect spreekt, valt meestal niet onder de basisverzekering.
In Vlaanderen heb je voor terugbetaling door de ziekteverzekering (RIZIV) een voorschrift van een arts nodig, bijvoorbeeld van de kinderarts of de NKO-arts, en een onderzoek (een bilan) door de logopedist. Daarna vraagt het ziekenfonds toestemming. Voor taal- en spraakstoornissen gelden extra voorwaarden, onder meer rond de leeftijd en soms het resultaat van een intelligentietest. Daardoor komt niet elk kind in aanmerking. Je kunt ook zonder terugbetaling naar een logopedist, en sommige ziekenfondsen betalen via de aanvullende verzekering een deel terug. Gaat je kind naar het buitengewoon onderwijs, dan krijgt het daar vaak logopedie op school. Het CLB kan je daarover meer vertellen.
Logopedie bij autisme, LVB en een ontwikkelingsachterstand
Bij kinderen met autisme, een licht verstandelijke beperking (LVB) of een ontwikkelingsachterstand gaat logopedie vaak minder over losse klanken en meer over communiceren zelf. Kan je kind laten weten wat het wil, kiezen, iets weigeren, om hulp vragen of je aandacht vragen? Dat zijn vaak de eerste doelen.
Een logopedist gebruikt daarvoor ook ondersteunde communicatie (OC). Dat zijn hulpmiddelen naast praten: gebaren, pictogrammen, een communicatieboek of een spraakcomputer. In Nederland worden vaak gebaren uit Nederlands met Gebaren (NmG) gebruikt, in Vlaanderen bijvoorbeeld Sprekende Handen.
- Gebaren en pictogrammen remmen het praten niet af. Ze geven je kind een manier om zich uit te drukken, en dat maakt de stap naar woorden vaak kleiner.
- Echolalie, het herhalen van zinnen of stukjes uit filmpjes, kan ook een manier zijn om iets te zeggen. Een logopedist helpt uitzoeken wat je kind ermee bedoelt.
- Kinderen met LVB leren in kleinere stappen en hebben meer herhaling nodig. Vaste woorden op vaste momenten helpen hen.
- Een behandelaar, gedragswetenschapper of leerkracht werkt vaak mee. Spreek af dat iedereen dezelfde gebaren, pictogrammen en woorden gebruikt.
Waarom oefenen tussen de sessies zo belangrijk is
Eén sessie van 30 tot 45 minuten per week is weinig tijd om iets nieuws te leren. Wat je kind bij de logopedist leert, moet ook thuis, op de opvang en op school terugkomen. Logopedisten noemen dat transfer of generalisatie: een woord dat je kind bij de logopedist zegt, moet het ook aan de keukentafel gaan gebruiken.
Daarom werkt kort en vaak oefenen meestal beter dan af en toe lang. Vijf minuten per dag zijn in een week al 35 minuten extra, verspreid over zeven momenten waarop je kind het woord opnieuw hoort en gebruikt. En het gebeurt in de echte situatie: bij het eten, in bad of tijdens het spelen.
Oefentijd per week
- Alleen de sessie
- 30 tot 45 minuten
- Sessie plus elke dag 5 minuten thuis
- Ongeveer een uur of meer
Hoe vaak oefent je kind
- Alleen de sessie
- Eén keer
- Sessie plus elke dag 5 minuten thuis
- Zeven of acht keer
Waar
- Alleen de sessie
- In de praktijk
- Sessie plus elke dag 5 minuten thuis
- In de praktijk en in het echte leven
Wat de logopedist terughoort
- Alleen de sessie
- “Het ging wel”
- Sessie plus elke dag 5 minuten thuis
- Een oefenweek met wat lukte en wat niet
| Alleen de sessie | Sessie plus elke dag 5 minuten thuis | |
|---|---|---|
| Oefentijd per week | 30 tot 45 minuten | Ongeveer een uur of meer |
| Hoe vaak oefent je kind | Eén keer | Zeven of acht keer |
| Waar | In de praktijk | In de praktijk en in het echte leven |
| Wat de logopedist terughoort | “Het ging wel” | Een oefenweek met wat lukte en wat niet |
Zo wordt thuis oefenen iets wat echt gebeurt
Huiswerk van de logopedie mislukt zelden omdat ouders het niet willen. Het mislukt omdat het te groot is, niet duidelijk is wat je precies moet doen, of omdat er geen vast moment voor is. Met deze stappen wordt het haalbaar.
- 1Eén klein doel per weekBijvoorbeeld “meer” zeggen of gebaren bij het tussendoortje, of vijf dierennamen aanwijzen. Liever één doel dat lukt dan vijf die blijven liggen.
- 2Een vast momentKoppel het oefenen aan iets wat al elke dag gebeurt: het ontbijt, in bad, het voorlezen voor het slapengaan. Dan hoef je er niet aan te denken.
- 3Doe het voor (modelleren)Zeg het woord zelf, rustig en duidelijk, op het moment dat het past. “Bal. Daar is de bal.” Je kind hoeft het niet meteen na te zeggen.
- 4Wacht en geef ruimteStel een vraag of houd het speelgoed even vast en wacht. Tel in je hoofd tot vijf. Veel kinderen hebben meer tijd nodig om te reageren dan wij denken.
- 5Breid een beetje uitZegt je kind “auto”, zeg dan “rode auto” of “de auto rijdt”. Verbeter niet, maar zeg het goed voor met één woord erbij.
- 6Stop als het nog leuk isVijf minuten is genoeg. Stop voordat je kind moe of boos wordt, dan wil het morgen weer.
- 7Houd het bij en neem het meeZet een vinkje als het gelukt is en schrijf op wat opviel. Neem dat mee naar de volgende sessie.
Mijn oefenweek
Doel van de logopedist
“Meer” zeggen of gebaren bij het tussendoortje
- Ma
- Di
- Wo
- Do
- Vr
- Za
- Zo
Logopedie-oefeningen voor thuis, per doel
Deze oefeningen passen bij peuters en kleuters en bij oudere kinderen die nog met de eerste woorden bezig zijn. Doe ze in overleg met je logopedist. Die weet welk doel nu past en wat je beter nog even laat liggen.
Waar is de bal?
Hond
Bal
Appel
Schoenen
Eerste woorden
- Zo oefen je
- Kies vijf woorden die je kind elke dag nodig heeft, zoals “meer”, “op”, “open”, “drinken” en “bal”. Zeg ze steeds op het moment zelf. Houd een koekje omhoog en wacht tot je kind “meer” zegt, gebaart of aanwijst.
- Waar let je op
- Elke poging telt, ook een gebaar of een klank die erop lijkt. Geef dan meteen wat je kind vraagt.
Woordenschat
- Zo oefen je
- Leg twee woordkaarten neer en vraag “Waar is de hond?”. Lukt dat, maak het drie kaarten. Daarna wijs jij aan en benoemt je kind. Leg het echte voorwerp erbij als dat helpt.
- Waar let je op
- Eerst begrijpen, dan zeggen. Begin met woorden die je kind kent uit het dagelijks leven.
Zinnen maken
- Zo oefen je
- Speel met poppetjes of dieren en vertel wat ze doen. “De hond eet.” “De kat slaapt.” Vraag dan “Wat doet de hond?” en laat je kind aanvullen.
- Waar let je op
- Breid uit met één woord. Zegt je kind “hond eten”, zeg dan “ja, de hond eet”.
Luisteren
- Zo oefen je
- Doe een geluid achter je rug, zoals een belletje of klappen, en laat je kind raden wat het was. Of dans op muziek en sta stil zodra de muziek stopt.
- Waar let je op
- Een rustige kamer zonder tv of muziek op de achtergrond.
Beurt nemen
- Zo oefen je
- Rol een bal heen en weer, bouw om de beurt een blokje op de toren of speel kiekeboe. Zeg “mijn beurt” en “jouw beurt” erbij.
- Waar let je op
- Beurt nemen is de basis van een gesprekje. Wacht echt tot je kind zijn beurt neemt.
Mond en blazen
- Zo oefen je
- Bellenblazen, een watje over tafel blazen, drinken met een rietje of gekke bekken trekken voor de spiegel.
- Waar let je op
- Leuk voor de mond, maar je kind leert er op zich geen klanken van. Doe dit alleen als je logopedist het aanraadt.
| Doel | Zo oefen je | Waar let je op |
|---|---|---|
| Eerste woorden | Kies vijf woorden die je kind elke dag nodig heeft, zoals “meer”, “op”, “open”, “drinken” en “bal”. Zeg ze steeds op het moment zelf. Houd een koekje omhoog en wacht tot je kind “meer” zegt, gebaart of aanwijst. | Elke poging telt, ook een gebaar of een klank die erop lijkt. Geef dan meteen wat je kind vraagt. |
| Woordenschat | Leg twee woordkaarten neer en vraag “Waar is de hond?”. Lukt dat, maak het drie kaarten. Daarna wijs jij aan en benoemt je kind. Leg het echte voorwerp erbij als dat helpt. | Eerst begrijpen, dan zeggen. Begin met woorden die je kind kent uit het dagelijks leven. |
| Zinnen maken | Speel met poppetjes of dieren en vertel wat ze doen. “De hond eet.” “De kat slaapt.” Vraag dan “Wat doet de hond?” en laat je kind aanvullen. | Breid uit met één woord. Zegt je kind “hond eten”, zeg dan “ja, de hond eet”. |
| Luisteren | Doe een geluid achter je rug, zoals een belletje of klappen, en laat je kind raden wat het was. Of dans op muziek en sta stil zodra de muziek stopt. | Een rustige kamer zonder tv of muziek op de achtergrond. |
| Beurt nemen | Rol een bal heen en weer, bouw om de beurt een blokje op de toren of speel kiekeboe. Zeg “mijn beurt” en “jouw beurt” erbij. | Beurt nemen is de basis van een gesprekje. Wacht echt tot je kind zijn beurt neemt. |
| Mond en blazen | Bellenblazen, een watje over tafel blazen, drinken met een rietje of gekke bekken trekken voor de spiegel. | Leuk voor de mond, maar je kind leert er op zich geen klanken van. Doe dit alleen als je logopedist het aanraadt. |
Oefenmateriaal om te downloaden
We maakten een gratis set om thuis mee te oefenen: twee vellen woordkaarten met dieren, speelgoed, eten en dingen van thuis, een vel met mondspelletjes en een oefenweek. Op de oefenweek schrijf je het doel van de logopedist, zet je elke dag een vinkje en noteer je vragen voor de volgende sessie.
Print de vellen in de browser op A4 of sla ze op als pdf. Er is geen account of e-mailadres voor nodig.
Naar de gratis logopedie-oefeningen
Voor logopedisten: zo neem je ouders mee
Als logopedist zie je een kind een half uur tot drie kwartier per week. De rest van de week ligt het oefenen bij ouders, begeleiders en leerkrachten. Hoe goed dat lukt, hangt sterk af van hoe je het huiswerk overdraagt.
- Laat ouders erbij zijn in de sessie en doe de oefening eerst voor. Laat de ouder het daarna zelf doen terwijl jij meekijkt. Een kort filmpje op de telefoon van de ouder helpt thuis enorm.
- Geef één doel tegelijk mee, in gewone woorden. Niet “uitbreiden van tweewoorduitingen”, maar “zeg het zinnetje van je kind na met één woord erbij”.
- Geef concreet materiaal mee: de woordkaarten waarmee jullie werkten, een oefenweek, een lijstje van vijf woorden. Liever weinig en duidelijk dan een map vol.
- Vraag naar de oefenweek aan het begin van elke sessie. Wat lukte, wat niet, en waar liep het vast? Pas het huiswerk daarop aan.
- Denk mee over het moment. Een gezin met drie kinderen en weinig tijd heeft meer aan oefenen tijdens het ontbijt dan aan een kwartier extra aan tafel.
- Betrek ook de opvang, school of het kinderdagcentrum. Spreek af welke woorden, gebaren en pictogrammen iedereen gebruikt.

