Wat is een medisch kinderdagcentrum (MKD)?
Een medisch kinderdagcentrum is een behandelgroep voor jonge kinderen bij wie de ontwikkeling niet vanzelf gaat. Officieel heet het vaak medisch kinderdagverblijf, en veel organisaties gebruiken namen als behandelgroep jonge kind of kinderdagcentrum. De afkorting is bijna altijd MKD.
Kinderen gaan er een aantal dagdelen per week naartoe, meestal van ongeveer 1,5 tot 7 jaar. Op het MKD werkt een team aan de ontwikkeling van het kind en zoekt het tegelijk uit wat er aan de hand is en wat het kind nodig heeft. Ouders worden nauw betrokken, met oudergesprekken, thuisbegeleiding of een ouderavond.
Kinderen komen naar een MKD om heel verschillende redenen:
- Een ontwikkelingsachterstand op een of meer gebieden, zoals taal, motoriek of spel.
- Autisme, of een vermoeden daarvan.
- Een (vermoeden van een) verstandelijke beperking.
- Een taalachterstand of een taalontwikkelingsstoornis (TOS), samen met andere problemen.
- Gedrag dat thuis of op de opvang niet meer te hanteren is, zoals veel driftbuien, angst of terugtrekken.
- Een syndroom of medische aandoening die de ontwikkeling beïnvloedt.
Hoe kom je op een MKD?
Een plek op een MKD regel je niet zomaar zelf. In Nederland valt het onder de Jeugdwet, dus de gemeente betaalt en beslist. Meestal gaat het zo:
- 1Zorgen besprekenOuders, het consultatiebureau of de kinderopvang maken zich zorgen over de ontwikkeling. Bespreek dat met de jeugdarts of jeugdverpleegkundige van het consultatiebureau, of met de huisarts.
- 2Zo nodig Integrale VroeghulpIs niet duidelijk wat er speelt of welke hulp past, dan kan het consultatiebureau of de huisarts verwijzen naar Integrale Vroeghulp. Ouders kunnen zich daar ook zelf aanmelden.
- 3Een verwijzingEen huisarts, jeugdarts of medisch specialist verwijst naar het MKD. Je kunt ook via het wijkteam of het sociaal team van de gemeente gaan.
- 4Toestemming van de gemeenteGaat de verwijzing via het wijkteam, dan geeft de gemeente een beschikking af. Bij een verwijzing door een arts kan het MKD vaak direct starten, afhankelijk van de afspraken in jouw gemeente. Het MKD weet hoe het bij jou werkt.
- 5Intake en wachttijdHet MKD nodigt ouders uit voor een intakegesprek. Er is vaak een wachtlijst. Vraag wat er in de tussentijd kan, bijvoorbeeld logopedie of thuisbegeleiding.
- 6Observatie en behandelplanDe eerste weken kijkt het team vooral naar het kind. Daarna volgt een behandelplan met doelen, dat ouders samen met het team bespreken.
Een dag op het MKD
Een dag op het MKD lijkt op een dag op de peuteropvang, maar met meer structuur, kleinere groepen en elk moment gericht op de doelen van het kind. Eten, aankleden en spelen zijn ook oefenmomenten.
- 8.45
AankomstMet het busje of door een ouder gebracht. Jas uit, tas weg.
- 9.00
KringGoedemorgen zeggen en samen het dagritme met pictogrammen bekijken.
- 9.30
Spelen en oefenenIn kleine groepjes of één op één, gericht op de doelen van elk kind.
- 10.15
Fruit en drinkenOok een oefenmoment: vragen, kiezen, zelf eten.
- 10.45
Buiten of behandelingBuitenspelen, of naar de logopedist of fysiotherapeut.
- 12.00
LunchSamen eten aan tafel, handen wassen, opruimen.
- 12.45
RustSlapen, een boekje of rustig spelen.
- 13.30
GroepsactiviteitMuziek, bewegen of knutselen, samen met andere kinderen.
- 14.30
Naar huisAfsluiten in de kring. Het schriftje of de app vertelt ouders hoe de dag ging.
Wat doet het team op een MKD?
Op een MKD werkt een multidisciplinair team. Iedereen kijkt vanuit een eigen vak naar hetzelfde kind, en de doelen komen samen in één behandelplan.
- Pedagogisch medewerkers of groepsbegeleiders doen de dagelijkse begeleiding en oefenen de doelen in de groep.
- Een gedragswetenschapper, orthopedagoog of psycholoog doet onderzoek, stelt het behandelplan op en bewaakt de voortgang.
- Een logopedist werkt aan taal, communicatie, eten en drinken.
- Een kinderfysiotherapeut werkt aan de motoriek.
- Vaak zijn er ook een kinderarts of arts verstandelijk gehandicapten (AVG), een maatschappelijk werker voor de ouders en soms een speltherapeut of ergotherapeut.
- In een multidisciplinair overleg (MDO) bespreekt het team de doelen en de voortgang van elk kind.
Hoe lang duurt een MKD en wat komt daarna?
De meeste kinderen blijven één tot twee jaar op het MKD. Het team evalueert het behandelplan regelmatig, vaak elk half jaar, samen met de ouders. Aan het eind volgt een advies over de plek die daarna het best past.
Voor veel kinderen is dat een school. Dat kan regulier onderwijs zijn met extra ondersteuning, het speciaal basisonderwijs (SBO) of het speciaal onderwijs (SO). Voor het speciaal onderwijs is een toelaatbaarheidsverklaring (TLV) van het samenwerkingsverband nodig.
ZML staat voor zeer moeilijk lerende kinderen. ZML-scholen vallen onder cluster 3 en zijn er voor kinderen met een verstandelijke beperking. Cluster 4 is er voor kinderen met ernstige gedragsproblemen of psychiatrische problemen, waaronder een deel van de kinderen met autisme. Andere kinderen gaan naar een kinderdagcentrum (KDC), of combineren school en KDC in een onderwijs-zorgarrangement.
Een goede overdracht maakt de start veel makkelijker. Geef niet alleen het verslag mee, maar ook wat werkt: welke pictogrammen het kind kent, welke instructie aankomt, welke beloning motiveert en welke doelen het laatst geoefend werden, met de data erbij.
Wat is een kinderdagcentrum (KDC)?
Een kinderdagcentrum is een dagvoorziening voor kinderen met een verstandelijke of meervoudige beperking voor wie school (nog) niet past. Het KDC biedt structuur, zorg en ontwikkeling: zelfredzaamheid, communicatie, spel en contact met andere kinderen. Waar het MKD vooral onderzoekt en behandelt, gaat het in het KDC vaker om langdurige begeleiding, ook voor oudere kinderen.
Voor wie
- Medisch kinderdagcentrum (MKD)
- Jonge kinderen, ongeveer 1,5 tot 7 jaar, bij wie de ontwikkeling niet vanzelf gaat
- Kinderdagcentrum (KDC)
- Kinderen met een verstandelijke of meervoudige beperking, ook op schoolleeftijd
Doel
- Medisch kinderdagcentrum (MKD)
- Onderzoeken, behandelen en een passende vervolgplek vinden
- Kinderdagcentrum (KDC)
- Dagbesteding, zorg en ontwikkeling op lange termijn
Duur
- Medisch kinderdagcentrum (MKD)
- Meestal één tot twee jaar
- Kinderdagcentrum (KDC)
- Vaak meerdere jaren
Betaling
- Medisch kinderdagcentrum (MKD)
- Gemeente, via de Jeugdwet
- Kinderdagcentrum (KDC)
- Gemeente (Jeugdwet), of de Wlz bij blijvend intensieve zorg
| Onderwerp | Medisch kinderdagcentrum (MKD) | Kinderdagcentrum (KDC) |
|---|---|---|
| Voor wie | Jonge kinderen, ongeveer 1,5 tot 7 jaar, bij wie de ontwikkeling niet vanzelf gaat | Kinderen met een verstandelijke of meervoudige beperking, ook op schoolleeftijd |
| Doel | Onderzoeken, behandelen en een passende vervolgplek vinden | Dagbesteding, zorg en ontwikkeling op lange termijn |
| Duur | Meestal één tot twee jaar | Vaak meerdere jaren |
| Betaling | Gemeente, via de Jeugdwet | Gemeente (Jeugdwet), of de Wlz bij blijvend intensieve zorg |
Integrale Vroeghulp, stap voor stap
Integrale Vroeghulp (IVH) is een regionaal netwerk voor kinderen van 0 tot 7 jaar met een (vermoeden van een) ontwikkelingsprobleem en hun ouders. In het netwerk werken onder meer het consultatiebureau, MKD's, zorgaanbieders voor mensen met een beperking, revalidatie en jeugdhulp samen. IVH is er voor de situatie waarin niet duidelijk is wat er met een kind aan de hand is of welke hulp past.
Elke regio werkt net iets anders, maar de route ziet er meestal zo uit:
- 1AanmeldenOuders melden hun kind zelf aan, of een professional doet het met toestemming van de ouders, zoals de jeugdarts, de huisarts of de kinderopvang.
- 2KennismakenEen vaste contactpersoon, vaak trajectbegeleider of coördinator genoemd, spreekt met de ouders over hun zorgen, vragen en wensen. Soms gebeurt dat thuis.
- 3Informatie verzamelenMet toestemming van de ouders vraagt IVH verslagen op bij het consultatiebureau, de kinderarts, de opvang of de logopedist.
- 4Zo nodig onderzoekOntbreekt er iets, dan volgt aanvullend onderzoek, zoals een ontwikkelingsonderzoek, een gehooronderzoek of een observatie op de opvang.
- 5Multidisciplinair overlegDeskundigen uit verschillende vakgebieden bespreken het kind samen. Ouders zijn daar vaak bij, of de contactpersoon brengt hun vragen in.
- 6AdviesOuders krijgen een advies, bijvoorbeeld voor verder onderzoek, behandeling, thuisbegeleiding of een plek op een MKD of KDC.
- 7Op weg naar zorgDe contactpersoon helpt bij het aanvragen van de zorg en houdt na een tijd contact om te kijken of de hulp goed loopt.
Ontwikkelingsachterstand en taalachterstand bij peuters
Van een ontwikkelingsachterstand spreek je als een kind duidelijk achterloopt bij leeftijdgenoten op een of meer gebieden: taal, motoriek, denken en spelen, sociaal contact of zelfredzaamheid. Loopt een kind jonger dan 5 jaar op meerdere gebieden achter, dan noemen professionals dat een globale ontwikkelingsachterstand. Of daar later een verstandelijke beperking, autisme of iets anders achter zit, is op jonge leeftijd vaak nog niet te zeggen.
Een taalachterstand betekent dat een kind minder taal begrijpt of gebruikt dan leeftijdgenoten. Dat kan komen door weinig taalaanbod, maar ook door slecht horen, een taalontwikkelingsstoornis (TOS), autisme of een bredere ontwikkelingsachterstand. Meertalig opgroeien is geen oorzaak van een taalachterstand.
Een ontwikkelingsachterstand en autisme gaan vaak samen, maar zijn niet hetzelfde. Autisme gaat over sociale communicatie en beperkte, herhaalde patronen in gedrag. Een kind met autisme kan ook op andere gebieden achterlopen, en een kind met een achterstand heeft niet vanzelf autisme.
Taalontwikkeling per leeftijd, met schemaRond 12 maanden
- Bespreek het als je kind
- Niet brabbelt, niet reageert op de eigen naam, niet wijst of zwaait, of nog niet zelf zit.
Rond 18 maanden
- Bespreek het als je kind
- Nog geen enkel woord zegt, eenvoudige opdrachten niet begrijpt of nog niet los loopt.
Rond 2 jaar
- Bespreek het als je kind
- Weinig woorden zegt en er geen nieuwe bij komen, of niet doelgericht met speelgoed speelt.
Rond 3 jaar
- Bespreek het als je kind
- Nog geen zinnetjes maakt, voor vreemden slecht te verstaan is, niet doet-alsof speelt of weinig interesse heeft in andere kinderen.
Op elke leeftijd
- Bespreek het als je kind
- Vaardigheden verliest die het al had. Neem dan meteen contact op.
| Leeftijd | Bespreek het als je kind |
|---|---|
| Rond 12 maanden | Niet brabbelt, niet reageert op de eigen naam, niet wijst of zwaait, of nog niet zelf zit. |
| Rond 18 maanden | Nog geen enkel woord zegt, eenvoudige opdrachten niet begrijpt of nog niet los loopt. |
| Rond 2 jaar | Weinig woorden zegt en er geen nieuwe bij komen, of niet doelgericht met speelgoed speelt. |
| Rond 3 jaar | Nog geen zinnetjes maakt, voor vreemden slecht te verstaan is, niet doet-alsof speelt of weinig interesse heeft in andere kinderen. |
| Op elke leeftijd | Vaardigheden verliest die het al had. Neem dan meteen contact op. |
En LVB?
Veel kinderen op een MKD of KDC hebben een licht verstandelijke beperking (LVB) of een vermoeden daarvan. LVB betekent een IQ van ongeveer 50 tot 70 met beperkingen in het dagelijks functioneren. In Nederland valt ook zwakbegaafdheid (IQ ongeveer 70 tot 85) met bijkomende problemen onder LVB. Bij jonge kinderen is een IQ vaak nog niet betrouwbaar te meten, dus spreek je dan meestal van een ontwikkelingsachterstand.
Kinderen met een LVB praten vaak beter dan ze begrijpen, waardoor ze snel overvraagd worden. Ze hebben veel herhaling nodig, korte instructies met een plaatje erbij en hulp om wat ze leren ook in andere situaties toe te passen.
Alles over LVB bij kinderen: betekenis, IQ, kenmerken en tipsIn Vlaanderen: thuisbegeleiding, MFC en revalidatie
Een MKD zoals in Nederland bestaat in Vlaanderen niet. Voor jonge kinderen met een (vermoeden van een) ontwikkelingsprobleem zijn er wel vergelijkbare vormen van hulp:
- Kind en Gezin volgt de ontwikkeling van jonge kinderen op het consultatiebureau en verwijst door als er zorgen zijn.
- Een Centrum voor Ontwikkelingsstoornissen (COS) doet diagnostisch onderzoek bij jonge kinderen.
- Een thuisbegeleidingsdienst komt aan huis bij gezinnen met een kind met een (vermoeden van een) beperking. Thuisbegeleiding is vaak rechtstreeks toegankelijk, zonder aanvraag bij het VAPH.
- Een multifunctioneel centrum (MFC), erkend door het VAPH, biedt dagopvang, behandeling en begeleiding voor kinderen met een beperking.
- Een centrum voor ambulante revalidatie (CAR) biedt onderzoek en behandeling door een team met onder meer logopedie, kinesitherapie en ergotherapie, bijvoorbeeld bij een ontwikkelingsstoornis of autisme.
- Een revalidatiecentrum is er onder meer voor kinderen met een motorische of meervoudige beperking.
- Bij de overstap naar school begeleidt het CLB de keuze, bijvoorbeeld voor het buitengewoon kleuteronderwijs of type 2 in het buitengewoon lager onderwijs.
Waarom dagelijks oefenen in de groep lastig is
Iedereen in een KDC of MKD weet dat kinderen met LVB of autisme veel herhaling nodig hebben. Toch lukt het vaak niet om elk kind elke dag gericht te laten oefenen. Dat ligt zelden aan de inzet van het team. Het ligt aan de omstandigheden.
- Weinig 1-op-1 tijd. Met bijvoorbeeld zes tot acht kinderen en twee begeleiders op een groep gaat de meeste tijd naar verzorging, eten, overgangen en het voorkomen van escalaties.
- Wisselende begeleiders. Door diensten, parttime werk en invallers geeft niet iedereen dezelfde instructie. Voor een kind met LVB of autisme is dat verwarrend.
- Verschillende niveaus. In één groep zitten kinderen die eerste woorden leren naast kinderen die al kleuren en vormen benoemen.
- Registratie op papier. Turflijsten raken kwijt, worden aan het eind van de dag uit het hoofd ingevuld of niet bekeken. Zonder goede data weet de gedragswetenschapper niet of een doel vooruitgaat.
- Doelen in het behandelplan zijn vaak te groot om er dagelijks mee te werken, zoals “breidt de woordenschat uit”.
Zo organiseer je dagelijks oefenen wel
Het hoeft niet groot te zijn. Tien minuten gericht oefenen per kind per dag, elke dag, levert vaak meer op dan een lang blok één keer per week. Zo pak je het aan.
- 1Maak doelen kleinDeel elk doel uit het behandelplan op in kleine stappen. Niet “benoemt dieren”, maar “wijst de koe aan uit twee plaatjes”. Een kind moet de stap binnen een paar weken kunnen halen.
- 2Kies vaste momentenZet de oefenmomenten in het dagritme van de groep, bijvoorbeeld na het fruit en na het buitenspelen. Gebruik een pictogram zodat het kind weet wat er komt.
- 3Gebruik steeds dezelfde instructieLeg per doel in een kort stappenplan vast wat je zegt, welk materiaal je gebruikt, hoeveel hulp je geeft en hoe je beloont. Hang het op of leg het bij het materiaal, zodat ook een invaller weet wat te doen.
- 4Houd het kortOefen in korte blokjes en stop voordat het kind moe of onrustig wordt. Wissel een moeilijke opdracht af met iets wat het kind al kan.
- 5Leg elke oefening vastNoteer direct wat lukte en met hoeveel hulp. Een simpele turflijst per kind per doel volstaat. Bekijk de gegevens elke week, niet alleen bij het MDO.
- 6Generaliseer bewustLukt een stap, oefen hem dan met andere materialen, bij een andere begeleider en op een andere plek. Vertel ouders wat er geoefend wordt, zodat ze het thuis ook terug kunnen laten komen.


