Wat is een eerst-dan-kaart?
Een eerst-dan-kaart laat in twee plaatjes zien wat er nu gebeurt en wat daarna komt. “Eerst schoenen aan, dan naar de speeltuin.” Je kind hoeft niet te onthouden wat je zei, het ziet het. En het ziet ook dat de lastige taak een einde heeft.
Het is de eenvoudigste vorm van visuele ondersteuning, en vaak de eerste die een jong kind met autisme, LVB of een ontwikkelingsachterstand leert gebruiken. Werkt een eerst-dan-kaart goed, dan is een dagritme met drie of meer stappen de logische volgende stap.
Zo gebruik je een eerst-dan-kaart
Houd het klein en houd je aan wat er op de kaart staat. Dan leert je kind snel dat de kaart klopt.
- Zet bij “Eerst” een korte taak die je kind kan, zoals schoenen aantrekken, handen wassen of drie puzzelstukjes leggen.
- Zet bij “Dan” iets wat je kind graag wil en wat je meteen kunt geven.
- Wijs het eerste plaatje aan en zeg het kort: “Eerst schoenen.” Wijs na de taak het tweede plaatje aan: “Dan speeltuin!”
- Geef wat er bij “Dan” staat meteen na de taak, ook als het niet perfect ging. Zo blijft de kaart te vertrouwen.
- Maak de taak niet langer dan je had afgesproken. Komt er onderweg een extra taak bij, dan leert je kind dat de kaart niet klopt.
Wat zet je bij eerst, en wat bij dan?
“Dan” hoeft niet altijd een beloning te zijn. Een eerst-dan-kaart helpt ook bij een gewone volgorde: eerst eten, dan in bad. In de klas of op de groep heet dat vaak een nu-straks-kaart. Pas de woorden in de maker gewoon aan naar “Nu” en “Straks” als je kind die kent.
Wil je kind meteen naar “Dan”? Maak de taak dan kleiner. Eén schoen aan in plaats van twee, of één puzzelstukje in plaats van drie. Lukt dat een paar keer, dan maak je de taak weer iets groter.