Woorden op deze plaat
- de juf
- het boek
- de stoel
- de jas
- de tas
- de klok
- het raam
- de regen
- de plant
- de vis
- de blokken
- de toren
- de wasbak
- de ezel
- voorlezen
- schilderen
Vragen per niveau
- 1Aanwijzen · Het kind wijst aan. Zeggen hoeft nog niet.Waar is de klok?
- 2Benoemen · Het kind zegt het woord.Wat is dit? (de wasbak)
- 3Wie doet wat · Werkwoorden, de stap naar zinnen.Wat doet de juf? (ze leest voor uit een prentenboek)
- 4Welke en hoeveel · Kleuren, tellen, vergelijken.Hoeveel jassen hangen er aan de kapstok? Welke kleur heeft de tas in het midden?
- 5Wat gebeurt er straks · Vooruit denken.De toren van blokken staat scheef en wiebelt. Wat gebeurt er straks?
- 6Waarom · Verbanden leggen die niet op de plaat staan.Waarom spelen de kinderen vandaag binnen?
Zo gebruik je de plaat bij de start op school
Een nieuwe klas is voor een jong kind een wereld vol onbekende woorden: de kring, de bouwhoek, de kapstok, opruimen. In Nederland stromen kinderen in rond hun vierde verjaardag. In Vlaanderen starten ze vanaf 2,5 jaar op een vaste instapdag. Juist dan helpt het als een kind de klas al een beetje kent voordat het er is.
Bekijk de plaat thuis of op de peuterspeelzaal samen met het kind. Wijs aan waar de jassen hangen, waar je je handen wast en waar de juf voorleest. Is het kind al op school, loop dan na de plaat samen door de echte klas en zoek dezelfde plekken op. Zo worden de woorden op de plaat echte plekken.
Vijf spelletjes met de schoolplaat
Deze spelletjes werken in de kring, in een klein groepje en thuis aan tafel. Begin met het eerste en kies daarna wat past bij het kind en de groep.
- 1Rondleiding door de klasWijs iets aan op de plaat, zoals de wasbak of de kapstok. Een kind loopt naar dezelfde plek in de echte klas en zegt: “Hier is de wasbak.” Zo koppel je het plaatje meteen aan de echte ruimte.
- 2Raad wat ik doeEen kind kiest stil iemand op de plaat en doet na wat die persoon doet: schilderen, handen wassen, voorlezen of bouwen. De anderen raden het en wijzen de persoon aan. Oefen daarna de zin: “Het meisje schildert.”
- 3Bouw de wiebeltorenBouw in de bouwhoek een toren zoals op de plaat en zet hem een beetje scheef. Vraag eerst wat er straks gebeurt, en kijk dan samen. Woorden als hoog, scheef, wiebelen en omvallen worden zo een ervaring.
- 4Welke kaart komt nu?Aan de muur van de klas op de plaat hangt een dagritme met vijf kaarten: jas, kring, eten, spelen en naar huis. Leg dezelfde kaarten in de verkeerde volgorde en laat kinderen ze samen goed leggen. Vraag daarna wat er na de kring komt.
- 5Het weer bij het raamKijk samen door het raam op de plaat en daarna door het echte raam. Regent het, of schijnt de zon? Mogen we dan buiten spelen? Laat kinderen een weerkaartje kiezen en ophangen in de klas.
Meer woorden voor je themaweek school
Deze woorden passen bij het thema school, maar staan niet allemaal als kernwoord bij de plaat. Breid pas uit als het kind de kernwoorden aanwijst of zegt, en laat elk nieuw woord zien met het echte voorwerp in de klas.
- Hoeken in de klas: de kring, de bouwhoek, de huishoek, de leeshoek, de zandtafel, de knutseltafel.
- Spullen: de verf, de kwast, het schort, de schaar, de lijm, het potlood, de beker.
- Mensen: de juf, de meester, de klasgenoot, de directeur, de conciërge.
- Doen: opruimen, luisteren, wachten, zitten, handen wassen, je jas ophangen, voorlezen.
- Tijd: eerst, dan, straks, nu, de pauze, naar huis.
Voor peuters, kleuters, NT2 en kinderen met autisme of LVB
Peuters blijven bij aanwijzen en benoemen. Kies dingen die ze ook thuis kennen: de jas, de tas, het boek en de vis. Kleuters kunnen vertellen wat elk kind doet, de jassen tellen en bedenken wat er gebeurt met de toren.
Bij NT2 zijn dit precies de woorden die een kind op de eerste schooldag nodig heeft: jas, tas, wc, handen wassen, zitten en luisteren. Geef ouders de plaat mee naar huis, zodat ze er in hun eigen taal over kunnen praten. Dat maakt de overstap naar school kleiner.
Voor een kind met autisme of LVB kan de plaat te druk zijn. Dek dan alles af behalve de kapstok, of alleen de kring, en vraag steeds in dezelfde woorden: “Waar hangt de jas?” Schuif het papier pas verder als dat lukt. Een foto van de eigen klas naast de plaat maakt het nog concreter.
Print gratis dagritmekaarten en een eerst-dan-kaart