Woorden op deze plaat
- de boom
- het blad
- de egel
- de paddenstoel
- de plas
- de paraplu
- de laarzen
- de jas
- de wolk
- de jongen
- het meisje
- springen
- vallen
- oranje
Vragen per niveau
- 1Aanwijzen · Het kind wijst aan. Zeggen hoeft nog niet.Waar is de paddenstoel?
- 2Benoemen · Het kind zegt het woord.Wat is dit? (een egel)
- 3Wie doet wat · Werkwoorden, de stap naar zinnen.Wat doet de jongen? (hij springt in de plas)
- 4Welke en hoeveel · Kleuren, tellen, vergelijken.Welke kleur heeft de paraplu? Hoeveel paddenstoelen zie je?
- 5Wat gebeurt er straks · Vooruit denken.Er komt een donkere wolk aan. Wat gebeurt er straks?
- 6Waarom · Verbanden leggen die niet op de plaat staan.Waarom heeft het meisje laarzen aan?
Zo introduceer je het thema herfst
Begin buiten of met echte dingen, en pak daarna pas de plaat erbij. Een paar bladeren, een kastanje en een paraplu op tafel maken de woorden concreet. Een kind dat net een blad in zijn hand heeft gehad, herkent het blad op de plaat veel sneller.
Kies vijf kernwoorden voor de eerste week, bijvoorbeeld blad, boom, paddenstoel, egel en paraplu. Gebruik ze steeds in dezelfde woorden, op de plaat, in een prentenboek en tijdens het buitenspelen. Breid pas uit als het kind de eerste woorden aanwijst of zegt.
Vijf spelletjes met de herfstplaat
Een plaat wordt pas echt een praatplaat als je er iets mee doet. Deze spelletjes werken in de kring, in een klein groepje en thuis aan tafel.
- 1Zoek het op de plaatLeg een echt blad of een plaatje van een paddenstoel neer. Het kind zoekt hetzelfde op de plaat en wijst het aan. Dit lukt ook als een kind nog niets zegt.
- 2Ik zie, ik zie, wat jij niet zietNoem een kleur of een kenmerk: “Ik zie iets geels.” Kleuters kunnen daarna zelf de vragen stellen aan de groep.
- 3Doe het naDoe samen na wat er op de plaat gebeurt: springen als de jongen, lopen met een paraplu, oprollen als een egel. Werkwoorden onthoud je beter als je ze doet.
- 4Wat gebeurt er straks?Wijs de donkere wolk aan. Laat de kinderen bedenken wat er straks gebeurt en wat de kinderen op de plaat dan doen. Er is geen fout antwoord.
- 5Maak er een verhaal vanBegin met “Op een dag in de herfst…” en laat ieder kind een zin toevoegen. Herhaal elke zin en maak hem een beetje langer.
Meer herfstwoorden voor je themaweek
Wil je het thema na een week uitbreiden? Deze woorden passen bij de herfst, maar staan niet op de plaat. Laat ze zien met echte dingen, foto’s of een prentenboek.
- In het bos: kastanje, eikel, dennenappel, eekhoorn, uil, spin, spinnenweb.
- Het weer: regen, wind, storm, mist, nat, koud, waaien.
- Doen: harken, verzamelen, schuilen, rapen, stampen, waaien.
- Kleuren en vormen: bruin, geel, rood, rond, puntig, glad, ruw.
Voor peuters, kleuters, NT2 en kinderen met autisme
Peuters blijven bij aanwijzen en benoemen: de boom, de egel, de paraplu. Een paar minuten is genoeg. Kleuters kunnen vertellen wat de kinderen doen en waarom. Bij NT2 begin je met woorden die kinderen elke dag nodig hebben, zoals jas, laarzen, nat en koud. Ouders kunnen thuis in hun eigen taal over dezelfde plaat praten.
Voor een kind met autisme of LVB kan de plaat te druk zijn. Dek dan met een vel papier alles af behalve één ding, bijvoorbeeld de egel. Vraag steeds in dezelfde woorden en schuif het papier pas op als het lukt.
Alle praatplaten en de vijf treden van aanwijzen tot vertellen