Hoe vaak praat een kind met autisme (nog) niet?
Taal verloopt bij autisme heel verschillend. Sommige kinderen praten op tijd of zelfs vroeg, met een grote woordenschat. Andere kinderen zeggen op hun derde nog geen woord. De meeste kinderen met autisme zitten ergens daartussen en gaan later praten dan leeftijdgenoten.
Uit onderzoek blijkt dat ongeveer 25 tot 30 procent van de kinderen met autisme op de basisschoolleeftijd minimaal verbaal is. Ze zeggen dan geen woorden, of een klein aantal woorden en vaste zinnetjes. Bij een deel van de kinderen verdwijnen woorden die er al waren, meestal tussen 15 en 24 maanden.
Een peuter die niet praat, heeft niet automatisch autisme. Veel late praters hebben gewoon een taalachterstand, en ook slecht horen of een algemene ontwikkelingsachterstand kan de oorzaak zijn. Het verschil zit vooral in hoe een kind contact maakt: wijst het om jou iets te laten zien, kijkt het je aan, reageert het op de eigen naam?
Lees meer over een taalachterstand bij peutersMinimaal verbaal en non-verbaal: wat betekent het?
Non-verbaal betekent letterlijk zonder woorden. Toch gebruiken behandelaars en onderzoekers liever de term minimaal verbaal. De meeste kinderen maken wel klanken, zeggen af en toe een woord of herhalen zinnen, en communiceren op allerlei andere manieren.
Belangrijk om te weten: niet praten betekent niet dat je kind niets begrijpt. Sommige minimaal verbale kinderen begrijpen veel meer dan ze kunnen laten zien. Andere kinderen begrijpen ook weinig taal, bijvoorbeeld als er naast autisme een verstandelijke beperking is. Een logopedist of gedragswetenschapper kan in kaart brengen wat je kind begrijpt, los van wat het zegt.
Waarom praat een kind met autisme niet?
Een kind met autisme dat niet praat, kiest daar niet voor. Het is geen koppigheid en ook geen gevolg van je opvoeding. Er spelen meestal meerdere dingen tegelijk.
- Gedeelde aandacht. Praten begint met samen naar iets kijken en dat met de ander willen delen. Bij autisme komt dat moeilijker op gang. Een kind ziet minder snel waarom het jou iets zou vertellen.
- Taal begrijpen. Woorden zijn abstract en verdwijnen meteen weer. Veel kinderen met autisme leren makkelijker via wat ze zien, zoals plaatjes en voorwerpen, dan via wat ze horen.
- Imiteren. Kinderen leren praten door na te doen. Kinderen met autisme imiteren vaak minder vanzelf.
- Spraakmotoriek. Een deel van de kinderen heeft moeite met het plannen van de mondbewegingen voor klanken (dyspraxie). Dan weet het kind misschien wel wat het wil zeggen, maar lukt het uitspreken niet.
- Prikkels. Een druk huis of een volle groep kan zoveel energie kosten dat er weinig overblijft voor communicatie.
- Bijkomende problemen. Een verstandelijke beperking, slecht horen of epilepsie maken de taal nog moeilijker.
Zo communiceert je kind nu al
Ook een kind dat niet praat, communiceert de hele dag. Het trekt je aan je hand naar de koelkast, legt je hand op de deurklink, gilt als het iets niet wil of brengt je zijn schoenen omdat het naar buiten wil. Dat is allemaal communicatie, en het is je startpunt.
Echolalie is ook vaak communicatie. Je kind herhaalt een zin die het net hoorde, of een zin uit een filmpje van weken geleden. Zegt je kind “wil je een koekje?” terwijl het bij de kast staat, dan bedoelt het vaak: ik wil een koekje. Probeer te ontdekken wat de zin voor je kind betekent, en geef dan het goede voorbeeld: “Ik wil een koekje.”
Gedrag kan ook een boodschap zijn. Boosheid, gillen of slaan gebeurt vaak als een kind niet duidelijk kan maken wat het wil of niet wil. Als je kind een andere manier krijgt om dat te zeggen, neemt het gedrag vaak af.
1Aan je hand trekkenJe kind neemt je mee naar de koelkast of legt je hand op de deurklink.
2Kijken, reiken, geluid makenJe kind kijkt naar wat het wil, strekt een arm uit of maakt een geluid.
3Wijzen en gebarenWijzen naar het koekje, een gebaar voor “meer” of “klaar”.
4Plaatje geven of aanwijzenEen pictogram of foto geven of aantikken, ook op een tablet.
5Klanken en woordenEen klank, een stukje woord, echolalie of een eigen woord.
6Woorden combineren“Meer koek”, “mama kom”: twee woorden of plaatjes samen.
Wat helpt: ondersteunde communicatie
Ondersteunde communicatie (OC, internationaal AAC genoemd) is alles wat je kind helpt om iets duidelijk te maken naast of in plaats van spraak. Het geeft je kind nu al een manier om te vragen, te kiezen en te weigeren, zonder te wachten tot de woorden komen.
Veel ouders zijn bang dat hun kind dan niet meer gaat praten. Onderzoek laat het tegenovergestelde zien. Ondersteunde communicatie remt de spraak niet, en bij een deel van de kinderen komen er juist meer woorden. Je zegt het woord er namelijk altijd bij, en je kind ervaart dat communiceren iets oplevert.
- GebarenNederlands met Gebaren (NmG): je zegt het woord en maakt het gebaar erbij.
- PictogrammenPlaatjes voor het dagritme, om te kiezen en om te laten zien wat er gaat gebeuren.
- PECSJe kind geeft een plaatje om iets te vragen, en bouwt daarna zinnetjes.
- SpraakcomputerEen tablet of apparaat dat het woord uitspreekt als je kind op het plaatje tikt.
Zo ziet een PECS-zinnetje eruit
Gebaren (NmG)
- Hoe het werkt
- Je zegt het woord en maakt het gebaar uit Nederlands met Gebaren erbij. Begin met een paar gebaren voor dingen die je kind vaak wil, zoals eten, drinken, meer en klaar.
- Past goed als je kind
- Goed kan nadoen en de handen vrij heeft. Ook handig buiten de deur.
Pictogrammen en foto’s
- Hoe het werkt
- Plaatjes voor het dagritme, keuzekaarten en een eerst-dan-kaart. Je kind ziet wat er gaat gebeuren en kan aanwijzen wat het wil.
- Past goed als je kind
- Beter leert via zien dan via horen. Dat geldt voor veel kinderen met autisme.
PECS
- Hoe het werkt
- Je kind leert een plaatje te geven aan een ander om iets te vragen. Stap voor stap volgen langere zinnetjes, zoals “Ik wil + koekje”.
- Past goed als je kind
- Nog niet uit zichzelf contact zoekt om iets te vragen. PECS leert juist die eerste stap naar de ander.
Spraakcomputer
- Hoe het werkt
- Een tablet of apparaat met plaatjes of woorden. Tikt je kind erop, dan hoort het een stem.
- Past goed als je kind
- Al plaatjes gebruikt en meer woorden nodig heeft dan in een map passen. Een logopedist of revalidatiecentrum adviseert welk apparaat past.
| Vorm | Hoe het werkt | Past goed als je kind |
|---|---|---|
| Gebaren (NmG) | Je zegt het woord en maakt het gebaar uit Nederlands met Gebaren erbij. Begin met een paar gebaren voor dingen die je kind vaak wil, zoals eten, drinken, meer en klaar. | Goed kan nadoen en de handen vrij heeft. Ook handig buiten de deur. |
| Pictogrammen en foto’s | Plaatjes voor het dagritme, keuzekaarten en een eerst-dan-kaart. Je kind ziet wat er gaat gebeuren en kan aanwijzen wat het wil. | Beter leert via zien dan via horen. Dat geldt voor veel kinderen met autisme. |
| PECS | Je kind leert een plaatje te geven aan een ander om iets te vragen. Stap voor stap volgen langere zinnetjes, zoals “Ik wil + koekje”. | Nog niet uit zichzelf contact zoekt om iets te vragen. PECS leert juist die eerste stap naar de ander. |
| Spraakcomputer | Een tablet of apparaat met plaatjes of woorden. Tikt je kind erop, dan hoort het een stem. | Al plaatjes gebruikt en meer woorden nodig heeft dan in een map passen. Een logopedist of revalidatiecentrum adviseert welk apparaat past. |
Praatkansen creëren in het dagelijks leven
Een kind gaat communiceren als het een reden heeft. Als alles al klaarstaat, hoeft het niets te vragen. Met een paar kleine aanpassingen maak je elke dag tientallen kansen.
- 1Zet favoriete dingen in zicht, buiten bereikKoekjes in een doorzichtige pot die je kind niet open krijgt, de bellenblaas hoog op de plank. Je kind moet jou nodig hebben.
- 2Geef kleine beetjesEen half koekje, drie blokjes. Zo moet je kind vaker vragen om meer, en kun je vaker oefenen.
- 3Stop midden in een spelletjeDuw je kind op de schommel, stop en wacht. Een blik, geluid, gebaar of plaatje is genoeg om verder te gaan.
- 4Laat kiezenHoud twee dingen omhoog, of twee plaatjes: “Appel of banaan?” Wijzen, pakken of een woord, alles telt.
- 5Wacht langer dan je denktTel in je hoofd tot tien voordat je helpt. Veel kinderen met autisme hebben meer tijd nodig om te reageren.
- 6Zeg één woord meer dan je kindGebruikt je kind nog geen woorden, zeg dan losse woorden: “bal”, “meer”. Zegt je kind één woord, zeg dan twee: “grote bal”.
Gaat mijn kind ooit praten? Wat onderzoek laat zien
Dat is de vraag die bijna elke ouder stelt, en niemand kan die voor één kind met zekerheid beantwoorden. Wel weten we uit onderzoek een aantal dingen.
Veel kinderen gaan later toch praten. In een grote Amerikaanse studie (Wodka en collega’s, 2013) volgden onderzoekers kinderen met autisme die op 4 jaar nog geen zinnetjes maakten. Toen ze 8 jaar of ouder waren, sprak ongeveer 70 procent wel in zinnetjes, en bijna de helft vloeiend. Ook na het vijfde jaar komen er bij een deel van de kinderen nog woorden bij.
Kinderen met een hoger non-verbaal niveau (wat ze kunnen zonder taal, zoals puzzelen en sorteren) en kinderen die meer samen aandacht delen, gaan vaker praten. Een deel van de kinderen blijft minimaal verbaal. Voor hen is ondersteunde communicatie geen tussenstap, maar hun manier van praten. Daarmee kunnen ze vragen, vertellen, grapjes maken en meedoen.
Welke hulp is er in Nederland?
Je begint bij het consultatiebureau, de huisarts of het wijkteam (CJG). Zij kunnen doorverwijzen voor onderzoek naar autisme en voor hulp. Bij jonge kinderen kan Integrale Vroeghulp met je meekijken en de hulp op elkaar afstemmen.
- Logopedie. Een logopedist met ervaring in autisme en ondersteunde communicatie kijkt naar begrijpen, communiceren en spraak. Je kunt zonder verwijzing gaan.
- Behandeling bij autisme. Binnen de jeugd-ggz of gehandicaptenzorg zijn er programma’s voor jonge kinderen die communicatie en spelen centraal zetten, zoals ESDM (Early Start Denver Model) en PRT (Pivotal Response Treatment). Die werken via spel en met de ouders erbij.
- ABA. Applied Behavior Analysis, of toegepaste gedragsanalyse, wordt in Nederland steeds vaker aangeboden. Moderne ABA-programma’s werken speels en vanuit de motivatie van het kind. De gemeente vergoedt het soms via de Jeugdwet, maar niet overal.
- Ouderbegeleiding. Je leert hoe je in gewone momenten communicatie uitlokt. Dat is vaak het meest effectieve onderdeel, omdat jij de meeste momenten met je kind hebt.
- Medisch kinderdagcentrum (MKD). Voor jonge kinderen die meer nodig hebben: behandeling en begeleiding in een kleine groep, met logopedie op de locatie.
- Spraakcomputer. Een communicatiehulpmiddel wordt vaak vergoed uit de basisverzekering, na advies van een logopedist of revalidatieteam.

